Onderzoek naar oplossing tomatengalmijt

“We hebben een aantal interessante ontdekkingen gedaan”

Sinds de zomer van 2016 staat de tomatensector op z’n kop vanwege een explosie van tomatengalmijt. Niet alleen in de belichte, maar ook in de onbelichte teelt ontwikkelde een calamiteit. Wat is er aan de hand? En belangrijker nog: wat is er tegen te doen? In gesprek met Gert-Jan Dillo en Guido Halbersma van Van Iperen en Jeroen Sanders van Demokwekerij Westland.

Tomaten

Gert-Jan: “Dit hadden we in de sector nog niet eerder meegemaakt. Tomatengalmijt is allang bekend, maar tot nu toe was deze te beheersen. Sinds 2010 gebruiken veel tuinders Oberon, een middel dat oorspronkelijk bedoeld is tegen spint. Volgens de fabrikant werkt het ook tegen tomatengalmijt. In het zomerseizoen had je hier en daar een plekje en spuiten met Oberon was dan voldoende effectief. En het middel is ook nog eens veilig voor de ingezette biologische gewasbescherming. Ideaal geïntegreerd dus. Maar nu was de omvang van de plaag gigantisch. Daar was niets meer tegen opgewassen.”

Escalatie

Natuurlijk was het vorig jaar extreem heet in augustus en september. Maar was dat de enige verklaring voor de enorme omvang van het probleem? Of had het beestje zich inmiddels beter aangepast? Was het zich, zonder dat wij daar oog voor hadden, anders gaan gedragen? Normaal gesproken verspreidt de tomatengalmijt zich vanuit de lagere gewasdelen, maar nu zagen we ineens ook besmettingen die halverwege het gewas begonnen. Guido: “We vroegen ons af of het insect wellicht al veel eerder latent aanwezig was. Het probleem is natuurlijk dat we het beestje met het blote oog niet kunnen zien. We ontdekken de tomatengalmijt voornamelijk door de zichtbare aantasting. Onderzoek was dus dringend gewenst.”

Onderzoek

De sector zat ondertussen met de handen in het haar. Er moest iets gebeuren, dat was klip en klaar. De tijd van grootschalig en sectorbreed onderzoek vanuit de overheid en het Productschap Tuinbouw ligt al heel lang achter ons. En ook de fabrikanten zijn niet meer genegen om voor één middel heel veel geld in onderzoek te steken. Wie was bereid hierin het voortouw te nemen?

Guido: “Van Iperen is al jarenlang lid van vereniging Agrodis, een belangenorganisatie van toeleveringsbedrijven van gewasbeschermingsmiddelen. Daar kwam dit probleem natuurlijk ook op tafel. Via de Stuurgroep glastuinbouw binnen Agrodis nam Van Iperen toen het initiatief om een gezamenlijk onderzoek op te zetten. En dat is gelukt! Het is echt geweldig dat we het voor elkaar hebben gekregen om de juiste partijen bij elkaar aan tafel te krijgen. Een mooi voorbeeld van samenwerken in de keten.”

Zes producenten en proeftuin Zwaagdijk besloten te gaan samenwerken in de strijd tegen de tomatengalmijt. De proef werd opgezet bij Demokwekerij Westland in Honselersdijk en kwam onder verantwoordelijkheid van Jeroen Sanders: “We hebben hier een opstelling gemaakt met Sweetelle, waarbij we de tomatenplanten twee keer hebben geïnfecteerd met tomatengalmijt. Op het moment van de eerste symptomen startten we met de behandeling met diverse middelen. We hebben daarbij elf verschillende middelen ingezet, zowel groene als chemische middelen. En we hanteerden verschillende spuitschema’s.” Inmiddels is de proef afgerond en zijn de resultaten bekend.

Wegvallen middelenpakket

Gert-Jan: “We hebben een aantal interessante ontdekkingen gedaan. Er zal echter vervolgonderzoek nodig zijn, willen we echt met oplossingen kunnen komen. We zijn ervan overtuigd dat we in de toekomst vaker met dit soort calamiteiten te maken krijgen. Dat heeft natuurlijk een relatie met het wegvallen van een cruciaal deel van het middelenpakket. En ik denk dat klimaatverandering hier ook een rol in speelt.”

Enkele honderdduizenden beestjes per blad

Jeroen: “Wat we nu in ieder geval weten, is dat de besmetting plaatsvindt ongeveer vier weken voordat we iets van de aantasting zien. Gaan we dus spuiten op het moment dat we iets zien, zijn we veel te laat met ingrijpen. Je loopt dan enkele honderdduizenden beestjes per blad achter.” Gert-Jan: “Op basis van deze constatering scouten we nu veel meer preventief. Inmiddels zie je steeds meer kwekers met een handmicroscoop door de kas lopen.”

Tomatengalmijt op de kleding

Een andere belangrijk resultaat is volgens Jeroen dat we meer te weten zijn gekomen over de verspreiding van de mijt. “Zo zagen we een sterke aantasting van de omgeving. We vonden ze terug op het pad, de pot, het touw, oogstmateriaal, maar ook op de kleding en in het haar van de medewerkers. Tegelijkertijd verspreidt het beestje zich niet zoals je zou verwachten. Er kan ergens een plant stijf staan van de tomatengalmijt, terwijl omliggende planten nauwelijks zijn aangetast. Dat maakt het heel complex.”

Alles beheersen

Gert-Jan: “We hebben best veel antwoorden gevonden, maar die roepen weer even zoveel of misschien wel meer vragen op. Belangrijk is in ieder geval dat een teler zich bewust is dat de mijt zich overal in de kas kan bevinden. Daar moet je dus ook rekening mee houden bij de teeltwisseling. Ook het spuiten en vooral de spuittechniek moeten optimaal zijn. Tomatentelers zijn überhaupt niet gewend om te spuiten. De techniek die ze twintig jaar geleden gebruikten, hanteren ze nu nog veel. En dat terwijl de situatie in de kas drastisch is veranderd. Het is al moeilijk om een tomatenplant helemaal te bespuiten, maar dat moet wel de inzet zijn of worden. De spuittechnieken bekijken als onderdeel van het proces is belangrijk. Alle parameters die je kunt beheersen, moeten top zijn.”

Guido: “Waar we echt mee aan de slag moeten, zijn de toelatingseisen van de verschillende middelen. We tonen met deze proef onomstotelijk aan dat de intervallen die telers bij toegelaten middelen moeten aanhouden ervoor zorgen dat we dit soort plagen niet meer de baas kunnen. Zoals we ze nu mogen gebruiken, zijn de middelen gewoon niet effectief genoeg.”

Biologie niet doodspuiten

“Daar komt bij dat wanneer we teveel beperkt selectieve middelen spuiten we het biologisch evenwicht verstoren. En dat willen we natuurlijk niet. Dan poppen er meteen weer andere problemen op. Biologie biedt sowieso geen afdoende oplossing voor de tomatengalmijt. De roofmijt eet ze wel, maar hij ondervindt veel hinder van de beharing van de tomatenplant.”

Er is dus nog tijd nodig om oplossingen voor dit probleem te vinden. Ondertussen ervaart Van Iperen veel druk vanuit de sector vanwege de omvang en het plotselinge karakter van het vraagstuk.

Het voortouw

Guido: “Van Iperen is erop gespitst om vragen uit de sector op te lossen. Daarvoor nemen we als groeispecialist steeds vaker het voortouw. Geen hoogdravende onderzoeken, maar onderzoeken die erop gericht zijn actuele problemen van de markt op te lossen. Daarbij moeten we niet alleen denken vanuit de inzet van meer gewasbeschermingsmiddelen. De druk op een effectief middelen- en maatregelenpakket kunnen we op korte termijn namelijk niet in de goede richting ombuigen. We moeten ook nadenken hoe we de plant zodanig kunnen versterken dat ie minder interessant is voor de tomatengalmijt.”

Onderzoek tomatengalmijt

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *